Een Open Brief aan de Secretaris-Generaal Tô Lâm 2
Een Open Brief aan de Secretaris-Generaal Tô Lâm 2
Geachte heer Tô Lâm,
Secretaris-Generaal van de Communistische Partij van Vietnam,
Een mens wordt geboren met het recht om mens te zijn, met het recht op intellectuele vrijheid en met het recht van toekomstige generaties.
Het recht op intellectuele vrijheid kan niet los worden gezien van het recht om mens te zijn. Wanneer iemand niet mag uitspreken wat hij denkt, of niet mag schrijven wat hij als waarheid ervaart, dan wordt niet alleen zijn vrijheid geschonden, maar ook zijn menselijke waardigheid.
Sinds de jaren vijftig heeft de Vietnamese regering meer dan honderd schrijvers, dichters en intellectuelen uit Noord-Vietnam vervolgd tijdens de affaire van Nhân Văn – Giai Phẩm. Velen werden als “reactionair” bestempeld enkel omdat zij schreven en uitspraken wat zij dachten. Sommigen werden opgesloten, anderen naar heropvoedingskampen en landbouwcoöperaties gestuurd voor maanden of jaren.Dit is weer een tekstblok. Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit, sed do eiusmod tempor incididunt ut labore et dolore magna aliqua. Ut enim ad minim veniam, quis nostrud exercitation ullamco laboris nisi ut aliquip ex ea commodo consequat. Duis aute irure dolor in reprehenderit in voluptate velit esse cillum dolore eu fugiat nulla pariatur. Excepteur sint occaecat cupidatat non proident, sunt in culpa qui officia deserunt mollit anim id est laborum.
De schrijver Phùng Cung was een van de meest tragische gevallen. Hij werd bijna zijn hele leven vastgehouden zonder een eerlijk proces. Alleen omdat hij korte verhalen schreef over het lijden van kunstenaars onder het communistische regime, zoals “Het Oude Paard van Heer Trịnh”.
Ik ontmoette hem in Hanoi kort voor zijn dood. Het was een ontmoeting die ik nooit zal vergeten. Hij zat rechtop en sprak rechtuit.
Hij vertelde mij dat hij tijdens dwangarbeid met blote voeten rijstkaf en menselijke uitwerpselen moest mengen. Het kaf sneed zijn voeten open, terwijl het vuil de wonden infecteerde.
Hij zei tegen mij: “Tot op vandaag ben ik nog steeds bang. Maar ik blijf schrijven en spreken. Ik blijf de waarheid spreken zoals vroeger, zelfs als ik tegenover Hô Chí Minh zou moeten zitten.”
Daarna keek hij naar een arecapalm in de tuin en zei: “Ik ben niet tegen mijn vaderland. Hoe meer mijn vaderland lijdt, hoe meer ik ervan houd. Zoals die palm daar — hij groeit zwak omdat hij te weinig zon krijgt. Hoe zwakker hij wordt, hoe meer medelijden ik met hem heb.”
In hem zag ik de waardigheid van een traditionele geleerde. Een man met talent, moed en liefde voor zijn land.
Een land kan niet sterk worden wanneer mensen die de waarheid spreken als een gevaar worden beschouwd. Een volk kan zich niet ontwikkelen wanneer de intellectuele vrijheid van schrijvers en intellectuelen door angst wordt gecontroleerd.
Tot vandaag kunnen veel Vietnamese schrijvers hun werk enkel in het buitenland publiceren. De schrijfster Duong Thu Huong, winnares van de internationale Prix mondial Cino Del Duca in 2023, wordt in haar eigen land nog steeds gezien als een ongewenste stem.
De schrijver Nguyen Vien moest zijn nieuwste werk eveneens in het buitenland publiceren omdat het in Vietnam verboden werd. Uitgeverij Nhân Anh in Canada publiceerde in maart 2026 zijn boek “Zij die blijven gaan en nooit terugkeren”.
Gedurende zeventig jaar heeft de Communistische Partij van Vietnam ontelbare talenten en intellectuele krachten van het Vietnamese volk verspild.
Ik ontmoette schrijvers als Tran Dan, Hoàng Cam en Lê Đat in de laatste jaren van hun leven — na een leven vol gevangenschap, verbod en angst. Zij waren arm, hongerig en voortdurend gecontroleerd, maar zij bleven schrijven.
De vrouw van schrijver Tran Dan vertelde ooit aan vrienden dat zij koste wat kost haar zoon naar het buitenland wilde sturen: “Een gewoon mens sterft hier langzaam weg in verstikking. Mijn zoon is een kunstenaar. Hij zal sterven in een explosie. Ik moet hem redden.”
Op dat moment kon Tran Dan nauwelijks nog spreken. Hij zat stil op zijn stoel en luisterde alleen. Toen ik opstond om weg te gaan, kneep hij mijn hand heel stevig vast.
Ik zal die handdruk nooit vergeten.
De dichter Phùng Quán schreef ooit:
“Als ik iemand liefheb, zeg ik dat ik hem liefheb.
Als ik iemand haat, zeg ik dat ik hem haat.
Hoe zoet men mij ook probeert te verleiden,
ik zal haat nooit liefde noemen.
Zelfs als men mij met de dood bedreigt,
zal ik liefde nooit haat noemen.”
Alleen al door deze woorden werd hij tientallen jaren vervolgd.
Phùng Quán leefde buiten de maatschappij en bijna buiten de wet. Er waren tijden dat hij illegaal moest vissen om te overleven. Hij schreef clandestien om te kunnen bestaan. Soms was hij zo wanhopig dat hij aan de dood dacht.
Maar hij zweeg niet.
Wat mij diep raakt is dit: waarom is een regering bang voor schrijvers?
Hun enige wapen is hun intellect.
Waarom onderdrukt Vietnam onafhankelijke monniken en daarna ook schrijvers?
Hoe banger een land is voor intellectuele vrijheid, hoe moeilijker het werkelijk sterk kan worden.
Na 1975, toen Zuid-Vietnam viel, begon de communistische regering onmiddellijk schrijvers en journalisten van de Republiek Vietnam te arresteren en te vervolgen.
Mensen als Nhã Ca, Tran Da Tu en Duyên Anh werden geboeid en opgesloten. Sommigen zaten meer dan tien jaar gevangen en werden meerdere keren opnieuw gearresteerd. Hun boeken werden verboden enkel omdat zij schreven over menselijke waardigheid, liefde en de waarheid van de oorlog.
Zelfs mijn leraar, Thích Nhat Hanh, die toen in ballingschap in Frankrijk leefde, werd omschreven als een “culturele commando”. Jarenlang waren zijn boeken verboden in Vietnam.
De ironie is dat de boeken van Thích Nhat Hanh vandaag overal in Vietnam verkrijgbaar zijn. Men heeft ingezien dat hij nooit iets “subversiefs” schreef. Hij leerde mensen enkel hoe zij voor hun lijden konden zorgen en innerlijke vrede konden terugvinden.
In 2005, door de noodzaak van internationale integratie en de toetreding van Vietnam tot de WTO, moest de regering hem toestaan terug te keren naar zijn vaderland en de publicatie van zijn boeken accepteren.
Dat toont aan dat het probleem niet in boeken of ideeën ligt. Het probleem ligt in de angst voor onafhankelijke intelligentie.
Schrijfster Duong Thu Huong was ooit een jonge soldate die na de oorlog Zuid-Vietnam binnentrok. Toen zij in Saigon boekwinkels bezocht en Zuid-Vietnamese literatuur las, begon zij te huilen.
Zij zei: “Mijn jeugd werd bedrogen.”
Ze was geschokt toen ze ontdekte dat de Zuid-Vietnamese literatuur niet vol haat zat zoals haar was verteld. In die boeken vond zij liefde, menselijke waardigheid en echte pijn.
Later werd Duong Thu Huong een schrijfster die eerlijk schreef en sprak. En zoals velen voor haar werd zij uit de Partij gezet en gevangen genomen.
Intellectuele vrijheid gaat altijd samen met het recht van toekomstige generaties.
Toekomstige generaties moeten toegang hebben tot de intellectuele, historische en spirituele erfenis van hun voorouders.
Maar gedurende vele decennia heeft Vietnam dat recht niet werkelijk aan zijn jongeren gegeven.
Zelfs het vak geschiedenis op school werd ooit ter discussie gesteld. Ondertussen zit het geschiedenisonderwijs nog steeds vol blinde vlekken en stiltes. Veel pijnlijke gebeurtenissen uit de nationale geschiedenis worden niet besproken, zoals de vervolging van schrijvers, intellectuelen en onafhankelijke stemmen na de oorlog.
Jonge Vietnamezen kennen vandaag nauwelijks nog de grote namen van de moderne Vietnamese literatuur, zowel uit het Noorden als uit het Zuiden. Zij krijgen geen toegang tot werken die het geweten, de menselijke waardigheid en de diepte van de Vietnamese ziel weerspiegelen.
Een volk kan niet volwassen worden wanneer jongeren slechts toegang krijgen tot een deel van de waarheid.
Toekomstige generaties hebben niet alleen recht op de bergen en rivieren van hun land, maar ook op de intellectuele erfenis van hun voorouders.
Ik ben meerdere keren naar Vietnam teruggekeerd met Nederlandse leerlingen om hen kennis te laten maken met de spirituele wortels van het Vietnamese volk. Maar telkens wanneer ik terugkwam, zag ik opnieuw bergen vernietigd worden, rivieren uitgeput raken en prachtige landschappen verkocht worden in naam van ontwikkeling.
Een land kan economisch snel groeien, maar als het zijn intellectuele en natuurlijke rijkdommen niet weet te beschermen, dan is dat geen duurzame vooruitgang.
Economische groei alleen is niet genoeg om waardigheid aan een land te geven.
Buitenlandse bedrijven worden rijk in Vietnam. Ondertussen blijven arme mensen elke dag worstelen om te overleven. Corruptie, steekpenningen en machtsmisbruik blijven het vertrouwen van de bevolking ondermijnen.
Een land wordt pas werkelijk sterk wanneer zijn burgers met waardigheid kunnen leven, de waarheid mogen spreken en beschermd worden door de wet in plaats van door angst te worden beheerst.
In de ogen van veel arme mensen vervaagt de grens tussen politie en straatbendes steeds meer.
Mijn leraar Thích Nhat Hanh zei ooit tegen de BBC: “Waarom gebruiken zij agenten in burgerkleding om als straatbendes op te treden en monniken in het Bát Nhã-klooster aan te vallen?”
Een rechtsstaat kan niet toestaan dat burgers in zulke onzekerheid leven.
Begrijp alstublieft dat ik deze woorden schrijf met mijn herinneringen en mijn bloed.
Ik heb te veel schrijvers in angst zien leven. Te veel talenten zien vernietigen. Te veel bergen en rivieren zien verdwijnen in naam van ontwikkeling.
Daarom vraag ik u, als leider van het land, om twee dringende stappen te zetten.
Ten eerste: geef schrijvers, journalisten en intellectuelen in Vietnam hun intellectuele vrijheid en vrijheid van creatie terug.
Ten tweede: stop de samenwerking met belangengroepen die bergen, bossen en het leefmilieu van het Vietnamese volk vernietigen voor kortetermijnwinst.
Bergen en rivieren behoren niet toe aan één generatie.
Zij zijn een erfenis van de voorouders voor de Vietnamese kinderen van morgen.
Een land kan nooit werkelijk sterk worden wanneer het zijn intellect vernietigt en tegelijk zijn vaderland verwoest.
Wij moeten het recht op intellectuele vrijheid en het recht van toekomstige generaties beschermen.
Dat is niet alleen een verantwoordelijkheid tegenover het heden, maar ook tegenover de toekomst van het Vietnamese volk.